| "Op weg naar nieuwe democratie....." | Deelnemer

Die arme ambtenaar

Leestijd: 4 minuten -

 

door Laurens van Voorst, lijsttrekker Code Oranje Noord-Brabant

Laat ik het eens opnemen voor de openbaar bestuurders en, meer nog, voor de ambtenaren die gierend gek worden van bewegingen als Code Oranje. Die horend dol worden van burgers die mee willen praten.

Ik heb in mijn leven nogal wat avonden bezocht in buurthuizen waar verkeerskundigen, stedenbouwkundigen en andere ontwerpers hun plannen presenteren om een straat of buurt opnieuw in te richten. Dankzij die ervaring kan ik redelijk nauwkeurig voorspellen welke boze buurtbewoner wanneer tekeer gaat. En waarover.

Het is bijvoorbeeld steeds weer schandalig dat de bomen worden gekapt of dat dit juist niet gebeurt. Als ze verdwijnen, dan wordt het groen node gemist. Zo niet: of de hoge heren van het stadhuis wel een idee hebben wat voor een enorme hoeveelheid bladeren er elke herfst weer neervalt? En dan de schaduw. Zo erg.

‘Voor mijn deur? Ik heb geeneens een hond!’

Op een vergelijkbare wijze komen de speelvoorzieningen aan bod. Als ze er niet zijn, is het een grof schandaal en als ze er wel zijn: ‘Er speelt nooit een kind, want het ligt vol met hondenpoep’. Die poep is niet de schuld van hondenbezitters, maar van de ontwerper van de gemeente. Of er maar een hondentoilet kan worden aangelegd. Zodra die ontwerper met zijn infrarode afstandsbediening op het scherm een locatie aanwijst voor zo’n zandbak, wordt er gezucht in de zaal. ‘Voor mijn deur? Ik heb geeneens een hond!’

De emoties lopen pas echt hoog op als het thema parkeren voorbij komt. Dit keer geen strijd tussen pro of contra speeltuin of hondenbezitters versus hondenhaters. Iedereen is het eens: ‘Hartstikke leuk, die bosschages en dat gras – maar weet mevrouw wel dat er mensen zijn die hun auto niet eens in de eigen straat kunnen parkeren? Nee, dat wist mevrouw natuurlijk niet’.

Al die kritiek leidt tot reacties. Specifieker: tot verdediging. Het gaat dan over randvoorwaarden, budget, de balans tussen groen en rood en rekening houden met het een of ander. Dit is het teken voor de zaal om het gaspedaal van het ongenoegen dieper in te duwen. ‘Meneer woont zeker niet in deze wijk?’ Of: ‘We kunnen wel merken dat u uw gezicht hier nooit laat zien.’ Zodra de aangesproken ambtenaar terug-bijtend laat weten dat hij er nú toch is, klinkt er schamper gelach. ‘Ja, nu! Nu de plannen klaar zijn!’ Waarop weer een tegenwerping volgt: ‘Nee meneer, de plannen zijn niet klaar. Er is nog ruimte voor inspraak.’ U voelt hem al: ‘Inspraak? Inspraak!? Laat me niet lachen! Net zoals zeker toen eerst, in 1983. Toen…’

En dan komt de uitsmijter…

Daarna volgen wat zinnen over ‘Wij zijn ook belastingbetalers’ en ‘Wie denk je dat jou betaalt, snotneus’ en dan weet de geplaagde overheidsdienaar dat de uitsmijter er aan staat te komen.

‘Moeten er dan eerst doden vallen?’

De zaal denkt dat de verkeerskundige deze vraag nog niet eerder hoorde. En doet er een schepje bovenop. ‘Als hier straks een dode valt – want daar kunnen we op wachten – dan is het jouw schuld!’ De spreker heeft een rood hoofd, wijst de ambtenaar aan en krijgt applaus.

 

Of het ook anders kan, vraagt u zich af. Jazeker. Hier volgt de methode Code Oranje.

‘Beste mensen, zullen we uw straat eens op gaan knappen? De riolering moet vernieuwd en dat is een mooie gelegenheid om ook andere dingen aan te pakken. Ik ga u vertellen hoeveel geld we hebben, wat een boom, een lantaarnpaal, een speeltoestel en een parkeerplaats kost en wat de wettelijke en ruimtelijke beperkingen zijn. Ik zit zo dadelijk in het keukentje, in de ruimte hiernaast. Roep maar als u eruit bent. Of als u me nodig denkt te hebben voor advies. Ik weet er namelijk best wat van, van het inrichten van straten. Heb er voor geleerd. Enfin, ik hoor het wel. Succes!’

‘Mijn collega Karel blijft bij u’

Terwijl de verkeerskundige opstaat, roept iemand hoe ze dat moeten doen – samen een besluit nemen. ‘Mijn collega Karel blijft bij u, want die is goed in het leiden van gesprekken. Hij zorgt ervoor dat iedereen aan bod komt en dat niet steeds de grootste monden hun zin krijgen. U geeft uw mening en overtuigt de anderen. En als dat niet lukt, legt u zich daarbij neer of u probeert een compromis te sluiten.

‘Zoals in de politiek? Waar wij altijd zo tegen tekeer gaan?’

‘Ja, verdomd. Nu u het zegt – zoals in de politiek, ja. Maar dan nu met u niet aan de zijlijn, maar aan de bal. Want democratie werkt pas echt als iedereen meedoet. Succes!’